^Back To Top

Historische Vereniging Zuytlant

Giften

Een gift kunt u overmaken op IBAN: NL82 RABO 0119.3257.48
ten name van Historische Vereniging Zuytlant.
Uw gift is aftrekbaar mbt uw belastingaangifte.

De Stamboom van Zuidland

stamboomvanzuidland small

Alle Slandenaars verzameld
in woord en beeld 

 

 

Schipper mag ik overvaren?

Dit artikel is geschreven door P. Buis en reeds eerder gepubliceerd in de Nieuwsbrief 35 & 36.

tolgeldSchipper, mag ik overvaren, ja of nee?
Moet ik dan nog tol betalen, ja of nee?
Velen van u kennen wellicht dit kinderversje nog.
Als we wat speels ingaan op de speelse vraag of er in Zuidland nog tol moet worden betaald, moet er een even speels "nee" op volgen. Maar dat is vroeger wel eens anders geweest. Het is al een hele tijd geleden,
dat er in Zuidland aan het eind van het Hoofd een tolhuis was met een tolhek. We moeten daarvoor teruggaan naar het begin van de vorige eeuw.

Dat er een overzetveer was op Biert en Simonshaven is nog veel langer geleden.
De aanlegplaats van de veerboot was aan het eind van het Hoofd. Degenen, die overgezet werden moesten niet alleen veergeld betalen (dus het loon van de veerman) maar ook tolgeld. Kort na 1421 liet de tollenaar een woning bouwen aan het eind van het Hoofd.
Waar komen de gegevens vandaan? ….
Verschillende historieschrijvers hebben voor de beschrijving van de geschiedenis van de tol hun pen in de inktpot gedoopt of hun schrijfmachine beroerd. Om er enkele te noemen: J. van Toledo in zijn manuscript "Grepen uit de geschiedenis van Zuidland", Samuel de Hoog in zijn boek "Zuidland, dorp uit het niet", dr. L. v.d. Gouw in zijn dissertatie "De Ring van Putten" en L. Hordijk in zijn inventarissen van de archieven van de Zuidlandse polders en de ambachtsheerlijkheden Zuidland en Velgersdijk. Verder zijn er in het gemeentearchief van Zuidland ook nog wel gegevens te vinden. De historische gegevens uit het hierna volgend verhaal ontleen ik dan ook deels aan de hierboven genoemde geschriften, waaruit ik soms letterlijk citeer en deels aan het gemeentearchief van Zuidland. Degene die tegen me zou zeggen: "Ga jij nou ook nog over de tol schrijven, dat is toch een open deur intrappen?", die heeft een beetje gelijk, maar niet helemaal
En waar moeten de gegevens naar toe? …
Ik verkeer namelijk in de veronderstelling, dat maar een klein deel van onze leden in het bezit is van de hiervoor genoemde geschriften, waarin ingegaan wordt op de geschiedenis van de tol. Daarom vind ik het toch wel nuttig om voor de leden die weinig of niets van "De Tol" afweten aan de hand van genoemde boeken terug te kijken in de geschiedenis.


Toen de Bernisse nog echt Berrnisse was..

Het mag duidelijk zijn, dat de geschiedenis van "De Tol" nauw verbonden is met die van de rivier Bernisse. Het is niet goed meer voor te stellen, dat in vroeger eeuwen de Stationsweg (toentertijd: Gooidijk of Goydijk) de waterkerende dijk was, waarlangs tweemaal per dag de eb- en vloedstromen van de Bernisse hun weg zochten naar en vanaf de zee. Aan de overzijde van de Bernisse lag de andere waterkering, de Stompaardsedijk. Simpel gezegd, als het heel hoog water was en je liep op de Gooidijk dan kon je van de dijk af bij wijze van spreken je handen wassen in de Bernisse. Een vreemde gedachte maar historisch niet onmogelijk. Dat je niet alleen je handen kon wassen, maar zelfs door het water kon lopen, dat over de dijk stroomde bij het huis van dokter Timp (toen dokter Woittiez) gebeurde op 1 februari 1953 (dit even terzijde). 

De Bournesse (hetgeen "grensrivier" zou betekenen) was oudtijds de grens tussen West Francie en het Rijk van Lotharius. Later werd het "Bernisse" en onder die naam kennen wij nog de oude rivier en ook de nieuwe in de jaren zeventig van de vorige eeuw gegraven Bernisse die door het natuurgebied loopt.
De Bernisse was van oudsher als stromende rivier "een Grafelijke Stroom", waarop dus het uitsluitend recht van overzetten behoorde aan de Graaf van Holland. Dit recht had oorspronkelijk de keizers van het oude in verval geraakte Romeinse Rijk, toebehoord, maar kwam door verlening van gunsten en door allerlei politieke manipulaties in handen van de graven van Holland.
Volgens Van Toledo gaf Graaf Jan van Beijeren op 25 april 1421 aan de Geervlietse tollenaar het recht aan de dorpen die aan de Bernisse lagen wachten of hulptollenaars aan te stellen, hetgeen kennelijk in Zuidland al meteen is gebeurd, want zoals we in het begin van dit verhaal gelezen hebben liet de Zuidlandse tollenaar al kort na 1421 een huis bouwen aan het eind van het Hoofd. In de oudste jaarrekening van de domeingoederen in Putten (1460) wordt de opbrengst van het veer van Putten op Zuidland (dus van Simonshaven en Biert naar Zuidland) al verantwoord.
In 1195 wordt voor het eerst het tolhuis in Geervliet genoemd als het tolhuis van de Graaf van Holland; waarschijnlijk was dit op een terp gebouwd. 
Al vrij vroeg was er sprake van gedeeltelijke dichtslibbing van de rivier. In 1444 werd het in Geervliet noodzakelijk om al een "hoofd" in de rivier te leggen om de tolgelden beter te kunnen innen. In de eerste helft van de zestiende eeuw is de Bernisse vrij snel verland. In 1598 was de Bernisse bij Zuidland en Abbenbroek zover dichtgeslibd "dat deselve geen scheyloot tusschen den lande van Putten ende Westenrijck (=Zuidland) mochte verstrekken." Door Geervliet werd in 1595 een verzoek gedaan om de haven van
Geervliet te mogen uitdiepen. In een octrooi, dat op deze zaak betrekking had werd gezegd dat de Bernisse in Geervliet nog "een passelijke diepte" had, hoewel er toen al een breed buitengors lag tegen de poldertjes Guldeland en Tolland, die omstreeks 1460 waren ingedijkt. In 1602 werd het veer tussen Heenvliet en Geervliet vervangen door een houten brug. Wie over die brug ging moest betalen. De verlanding van de Bernisse bij Zuidland ging blijkbaar nog sneller dan bij Geervliet en Heenvliet, want omstreeks 1576 kon de polder "Molengorzen" al worden ingedijkt. De polder Oude Kade volgde in 1600 en al vrij spoedig daarna de polder Nieuwe Kade, nl. in 1685.


Weer gestaakt brug gemaakt
klein120413-bernisseIn 1578 en 1579 was de doorvaart door de Bernisse door dichtslibbing zo slecht geworden, dat besloten werd het veer te converteren (lees: om te zetten) in een brugovergang. Dit gebeurde op verzoek van enige van de voornaamste burgers van Zuidland.
De toestemming tot de omzetting ging gepaard met de voorwaarde, dat de verzoekers zelf de dam moesten maken, deze behoorlijk zouden opleveren en een jaar lang onderhouden, waarna zij uit de eerste opbrengst van de bruggelden een som van vierhonderd "ponden" zouden terug ontvangen.
De eerste brug was van hout en werd later vervangen door een stenen brug. Het is niet zeker, door wie de heul, die de oorspronkelijke houten brug heeft vervangen, is gemaakt en in welk jaar, maar dat moet al voor 1579 geweest zijn. Wel wordt al in 1678 vermeld, dat er een reparatie plaats vond aan "de stenen brug over de Bornisse in Zuidland".  
Dat was dus de voorloper van de ouden stenen brug die er nu nog ligt aan het eind van het Hoofd en waarvan een ieder kan constateren, dat de onderhoudstoestand nogal te wensen overlaat. Dus wie de brug passeert lette niet op de slechte onderhoudstoestand, maar lope lichtvoetig over het wegdek, in het besef dat hij loopt over een historische brug met een ouderwets profiel. 
In 1579 werd door de Rekenkamer van de Domeinen de ordonnantie vastgesteld, volgens welke het ruggegeld zou worden geheven. Uit de ordonnantie bleek duidelijk, dat het oude karakter van uitsluitend veerrecht werd gehandhaafd, want ook zij vielen onder de heffing, die in plaats van de brug te passeren (of voordien van het veer gebruiktmaakten) hun beesten over de rivier lieten zwemmen of ze er bij laag water doorheen dreven (vroeger had je dus ook al belastingontduikers). Ook was betaling verschuldigd door hen die niet over de brug kwamen met hun paarden, wagens of beesten, maar zich wel op de veerdam bevonden.
Wat betreft het onderhoud van de brug kan worden verteld, dat dit ten laste kwam van de graaf, later de koning.
Toen de dam voor het maken van de brug werd gelegd werd bepaald, dat het dorp Zuidland een jaar lang het onderhoud van de dam voor zijn rekening moest nemen. Over verder onderhoud wordt niet gesproken. De veronderstelling is, dat bij de indijking van de polder Oud en Nieuw Stompaard het onderhoud van de dam is gebracht ten laste van die polder. In later tijden was het onderhoud van de heul voor rekening van de ambachtsheer. In die tijd bleken er zeer weinig onderhoudskosten te zijn: "zeker gemiddeld niet boven de fl. 3.00 per jaar", aldus een citaat. 


Zuidland wordt verkocht.
In 1731 werd de ambachtsheerlijkheid Zuidland door de Staten van Holland verkocht aan Pieter van der Mersch, de nieuwe ambachtsheer. Hij verkreeg ook het recht tot het heffen van bruggeld. Hij mocht dat recht verpachten.
Hem werd één verplichting opgelegd, nl. het onderhoud van de brug. De veerdam behoefde hij niet te onderhouden. De laatste rekening van de rentmeester-generaal, waarin het bruggeld als ontvangst wordt vermeld is van 1730. Dat klopt wel, want de opbrengsten van 1731 en latere jaren zullen wel verantwoord zijn in de boeken van de ambachtsheer. 
In de tweede helft van de 19e eeuw werd het recht op het bruggeld niet zomaar onderhands verpacht, neen dat gebeurde heel officieel. Op 6 april 1872 werd blijkens een extract uit een notariële akte, door de ambachtsheer publiek verpacht, "de tol over de brug over de Bernisse te Zuidland".
Bepaald werd, dat het tarief van tolhek of bruggegeld nauwkeurig moest worden nageleefd.
Er moest worden geheven: 
- van elk mens dat de brug passeert: één en een halve cent; 
- van elk rundbeest of paard, meer dan een jaar oud: vijf cents;
- van jonge beesten, als kalveren en veulens, die niet meer zuigen: twee en een halve cent;
- van een schaap of een varken: één en een halve cent;
- van een wagen, kar of chais of ander rijtuig, bespannen zijnde met een of twee paarden, tien cents, met dien verstande echter dat de personen, op of in het rijtuig zittende, voor hunne personen niet behoeven te betalen; dat van de personen, beesten of rijtuigen welke de brug op denzelfden dag heen en weder passeren, éénmaal voorschreven tolgeld mag gevorderd worden; dat bovenstaand tol- of bruggeld mede verschuldigd zal zijn door degenen, welke hunne rijtuigen of paarden op den dam laten staan, en dat ,indien het gebeurde, dat iemand eenig beest of beesten tusschen Simonshaven en de Biertsche sluis, over de rivier de Bornisse dreef of alzoo over deed zwemmen zonder over de brug te komen, zal evenwel door zoodanig persoon het voorschreven tolgeld verschuldigd zijn.

De Franse Tijd
fransebezettingToen Napoleon in de Franse tijd Nederland bij Frankrijk inlijfde werd zo ongeveer de gehele vaderlandse bestuurlijke structuur omvergekegeld.
Merkwaardig was het in dit verband, dat een Frans decreet van 21 oktober 1811 de particuliere veerrechten, tollen en bruggelden handhaafde en in handen van de particulieren liet. Van dit decreet profiteerde de ambachtsheer van Zuidland ook en kon hij doorgaan met de wettige inning van tolrechten.
Er kwam echter wel een kaper op de kust in de vorm van de door de Fransen aangestelde prefect. Deze probeerde de tol opgeheven te krijgen, maar het is hem niet gelukt. In het begin van de Franse tijd zat de gemeente Zuidland diep in de schulden en moest er zelfs bij particulieren geld worden geleend om de zaak draaiende te houden. In die tijd werd ijverig gezocht naar andere inkomsten. Begerig werd gekeken naar de inkomsten van de tolbrug over de Bernisse, die ten goede kwamen aan de ambachtsheer, maar die men eigenlijk liever in de kas van de gemeente zag vloeien. Dat lukte dus niet.
Verder dacht men er aan om van de twee marktschippers een recognitie te vragen en tenslotte zou de invoering van een nieuwe plaatselijke belasting uitkomst moeten bieden. Na de Franse tijd sprak men van "de gewezen ambachtsheer".

Opnieuw werd aan zijn stoelpoten gezaagd en probeerde men hem de rechten op het tolgeld over de brug afhandig te maken. Er zijn zelfs ook nog plannen geweest om een parallelweg te maken om de tol te omzeilen. Daarover is nog een juridisch steekspel gevoerd.

De Zuidlanders Tolvrij
Omstreeks 1870 werd door Lodewijk Bijl, die ongeveer in diezelfde tijd even buiten de tol een boerderij liet bouwen, met de heer Blussé, die toen ambachtsheer van Zuidland was, een overeenkomst gesloten, waarbij bepaald werd, dat alle bewoners van Zuidland ten eeuwigen dage vrij zouden zijn van het betalen van tol. In het archief van Zuidland bevindt zich nog een afschrift van een brief van 28 juli 1873 aan de Minister van Binnenlandse Zaken gericht, waarin de stand van zaken rondom de tol uit de doeken werd gedaan.
Aan de minister werd gemeld, dat er volgens het oude tarief tol geheven werd, maar voor Zuidlandse grondeigenaren die land in Geervliet hadden, was een abonnement mogelijk "indien partijen het eens kunnen worden omtrent het bedrag". Verder werd medegedeeld, dat van voetgangers in Zuidland geen tol werd geheven. In de bewuste brief wordt dit aangemerkt als een vrijgevigheid van de pachters, hoewel het officiële contract niet de mogelijkheid bood tot een dergelijke ontheffing. Naar de mening van het gemeentebestuur gebeurde dit niet buiten de eigenaren van het recht van de tol om en werd de vrijstelling van tolgeld door de ambachtsheer gesanctioneerd en wellicht was door hemzelf daarbij het voortouw genomen.

Terug naar de Middeleeuwen
Wij hebben nog weinig verteld over de belangrijkheid van de Bernisse als levensader voor de economie van de dorpen Geervliet, Heenvliet, Abbenbroek en Zuidland. Op de Bernisse werd in vroeger tijden gevist en gevaren door zeilschepen (vracht- en marktschepen) uit Brabant, Vlaanderen en Duitsland, die afhankelijk van de richting en de sterkte van de wind en stroom, soms sterk laverend tegen wind en stroom op moesten tornen om Zuidland of een van de andere dorpen langs de Bernisse te kunnen bereiken, om daar te laden of te lossen, al naar gelang de opdracht luidde. Dankzij de Bernisse was Zuidland in de 15e eeuw en ook nog in de 16e eeuw een welvarend dorp. Er was een levendige handel, niet in het minst te danken aan de donderdagse weekmarkt en de vrije jaarmarkt, die duurde van Sint Jans Onthoofding op 29 augustus tot de geboorte van onze Lieve Vrouwe op 8 september. Met Sint Jan werd bedoeld Johannes de Doper en met onze Lieve Vrouwe, Maria de moeder van Jezus. 

Het recht tot het houden van beide markten werd aan het ambacht Westenrijck verleend op 7 mei 1439 door Jacob van Gaasbeek, Heer van Putten. Op dezelfde datum werd aan burgemeesters en schepenen vergunning verleend om met advies van de schout, keuren te maken. Een keur is te vergelijken met een politieverordening of in moderner jargon: een Algemeen Plaatselijke Verordening. Van dat recht is door genoemde bestuurders optimaal gebruik gemaakt. Er verscheen in 1551 een vrij uitgebreid keurenboek (later verschillende keren gewijzigd en aangevuld). In dat keurenboek zijn nogal wat artikelen gewijd aan de handel, de visserij en het gebruik van de haven enz., in het kader van dit artikel teveel om op te sommen. Maar al eerder dan in 1551 werden er keuren gemaakt. Al die oude keuren waren opgenomen in het keurenboek van 1551. Met al die bepalingen uit het keurenboek hadden de schippers en de vissers te maken.
Ook de schepen uit Vlaanderen en Duitsland en waar ze verder vandaan kwamen hadden zich te richten naar hetgeen door de vroede vaderen werd bekokstoofd.

Van Katholiek naar Protestant.
Al voor 31 oktober 1517, de dag waarop de monnik Maarten Luther zijn stellingen aan de deur van de slotkapel van Wittenberg aansloeg, bestond er in de parochie van Westenrijck al twijfel over de officiële leer van de Rooms Katholieke Kerk en de gebruiken rond de Sacramenten. J. van Toledo vertelt daarover vrij uitvoerig in zijn manuscript. Deze twijfel werd mede veroorzaakt door schipper Willem Michielsz, meestal Willem Giele genoemd. Hij was beurtschipper tussen Gent en Delft en deed regelmatig Zuidland aan, waar hij een groep van gelijkgezinden rondom zich wist te verzamelen. Een groep die aanhanger werd van de "nye leer", die vooral uit Vlaanderen onze streken bereikte en die er tenslotte toe leidde dat Zuidland overging naar het Protestantisme.
We hebben in dit verhaal al gesteld dat de Bernisse kon worden gezien als een levensader voor de economie van Zuidland. Als we zien dat Willem Giele hier zich veel inspanningen getroost heeft om de nieuwe leer ingang te doen vinden en dat Zuidland mede tengevolge daarvan het Rooms-katholicisme afzwoer, mogen we als voorzichtige conclusie stellen, dat de Bernisse de stroom vormde waarop de nieuwe inzichten over de geloofsleer van de kerk werd aangevoerd en in dit verband ook een levensader mag worden genoemd. Als eindconclusie mogen we wel stellen, dat Zuidland in vroeger eeuwen nauw verbonden was met de Bernisse en zijn welvaart mede aan de ligging langs de Bernisse te danken had.  

De voorloper van de "hangplek"
Dat werd later anders. Na de dichtslibbing had de Bernisse niets meer te betekenen voor de scheepvaart en de handel en had zij alleen nog maar een functie bij de waterhuishouding.
Wat is er van de eens zo roemruchte rivier over?
Bij Heenvliet ligt er nog een stukje van de oude Bernisse en in Zuidland kennen we nog een stukje oude Bernisse, dat loopt vanaf het terrein achter het bedrijf van B. Minekus aan de Stationsweg tot achter het bedrijf van Warning aan de Molendijk. Het smalle water wordt overkluisd door 3 bruggen, te weten de oude trambrug waar het fietspad overloopt, de brug aan het Oosteinde en tenslotte de historische brug aan het eind van het Hoofd.
Voordat de waterleiding in Zuidland gelegd werd was er naast de laatstgenoemde brug een zogenaamde stap. De bewoners van het Hoofd kwamen soms wel een paar keer op een dag naar die stap om water te scheppen uit de Bernisse, dat dan in emmers aan een juk gehangen, naar huis werd vervoerd.
Dit water werd gebruikt om te boenen of om de was te spoelen. Bij die stap werd menig buurpraatje gehouden en zodoende bleef men op de hoogte van elkaars lief en leed. De "hangplek" voor spoelende vrouwen, die hier hun sociale contacten onderhielden is al lang niet meer als zodanig in gebruik, evenmin als de "zwemplek".
Wat? Weet u niet waar die is?
Loop "de ka van Piet 't Mannetje" maar in en u ziet halverwege het "hondenpaadje" een soort verbreding van de oude Bernisse. Daar werd in de oorlogsjaren en ook nog wel daarna, door de Zuidlandse jeugd geprobeerd zwemmen te leren. Jawel, "op z'n hondjes", want instructie was er niet bij.  Ja, wat moet je anders, er was nog geen zwembad.
Als u dan nog enkele honderden meters doorloopt ziet u de "gegraven" Bernisse, die in zijn dubbele functie van zoetwaterreservoir en natuurgebied met een grote vogelrijkdom in onze dagen een uiterst nuttige functie vervult.
Moet u daarvoor nog tol betalen?
Niet meer in directe zin, maar waterschap en zuiveringsschap eisen in indirecte zin wel u tol op in de vorm van een aanslag waterschapslasten en zuiveringsheffing, die jaarlijks door uw brievenbus glijdt.
Maar 't is voor een zeer nuttig doel, toch?