^Back To Top

Historische Vereniging Zuytlant

Giften

Een gift kunt u overmaken op IBAN: NL82 RABO 0119.3257.48
ten name van Historische Vereniging Zuytlant.
Uw gift is aftrekbaar mbt uw belastingaangifte.

De Stamboom van Zuidland

stamboomvanzuidland small

Alle Slandenaars verzameld
in woord en beeld 

 

 

Het Zuidlandse Veer

Eerder verschenen in Nieuwsbrief 74 (september 2010). Geschreven door P. Buis.

Zorg voor wegen en dijken.

Het is genoegzaam bekend, dat het in vroeger eeuwen met het wegennet in Nederland, op enkele uitzonderingen na, bedroevend gesteld was. Ook Zuidland vormde daarop geen uitzondering. Maar geleidelijk aan kwam er toch verbetering en werden er nieuwe, betere dijken en wegen aangelegd. De polder Velgersdijk profiteerde daarvan, want in 1688 werd b.v. de Velgersdijk verhoogd, terwijl in 1700 de buitendijk van de polder is opgehoogd. Bij het onderhoud van de dijk langs het Spui hebben de gorzen een belangrijke rol gespeeld. Zij dienden als bescherming voor de dijken.

Aan de hand van de stukken in het polderarchief heeft de heer Hordijk kunnen vaststellen, dat in het begin van de l8-de eeuw de grootte van de gorzen langs het Spui voortdurend afnam. De polderbesturen waren daar uiteraard niet zo gelukkig mee. Ook later werden de gorzen nog herhaaldelijk slachtoffer van de sterke stroom in het Spui. In 1940 was het polderbestuur nog van plan, ter voorkoming van grote kosten, de gorzen te verkopen. Dit werd afgeraden door Gedeputeerde Staten.
Allang vóór 1940, nl. in 1871, ging de zorg van het polderbestuur niet alleen uit naar de dijken, maar ook de wegen kregen aandacht, want in dat jaar werd er een grindweg aangelegd lopend vanaf de Drogendijk over de Langeweg in de polder Velgersdijk (nu Velgerdijkseweg), een gedeelte van de Veerweg, de Munnikenweg en een gedeelte van de Krommedijk tot aan het veer op Goudswaard. Voordien ging al het verkeer langs de Veerweg, die zoals reeds eerder werd opgemerkt, op dit moment nog maar voor een gedeelte bestaat.

In het jaar 1950, kort daarvoor of kort daarna werd de in 1871 aangelegde grindweg geasfalteerd. De Krommedijk werd omstreeks 1958 van een asfaltlaag voorzien. Nog later, ik weet niet meer precies in welk jaar, werd wat nu de Velgerdijkseweg is, opnieuw op de schop genomen en in verband met het zware verkeer o.a. van het transportbedrijf van Van der Wal, gereconstrueerd.


 

Het stoomgemaal vervangt de watermolen.
We hebben reeds gezien, dat de afgedankte watermolen dienst deed van 1758 tot 1891. Het is een opendeur intrappen om te zeggen, dat de techniek steeds verder gaat en dat nieuwe ontdekkingen en uitvindingen worden gedaan. Eén van die nieuwe dingen waren de stoomgemalen. Het polderbestuur kreeg ook belangstelling. In de vergadering van de ingelanden op 21 december 1878 werd de mogelijkheid van een stoomgemaal besproken en zelfs in stemming gebracht. Het voorstel werd met 240 tegen 179 stemmen verworpen. Een tweede poging werd gewaagd op 11 augustus 1882. Ditmaal werd het voorstel verworpen met 241 tegen 177 stemmen. Driemaal is scheepsrecht. Laat nu in de vergadering van 14 november 1890 een grote meerderheid van de ingelanden instemmen met het plan een stoomgemaal te bouwen! De meningen waren wél veranderd! Met de bouw van het stoomgemaal werd begonnen in het voorjaar van 1891. In hetzelfde jaar werd het in gebruik genomen.

Het kwam niet op de plek van de oude watermolen. Het werd gebouwd net achter de dijk bij het Zuidlandse Veer, enkele honderden meters van
de watermolen verwijderd. Er werd een steen ingemetseld.

Het stoomgemaal, met een flinke stenen schoorsteenpijp, gebouwd in 1891, kreeg in 1908 een nieuwe stoomketel. In het begin van de 2-de wereldoorlog heerste er als uitvloeisel van de vooroorlogse crisisjaren een grote werkloosheid. Ook in Zuidland was de werkloosheid groot. De regering zette landelijk veel arbeidsprojecten op touw. De werklozen werden verplicht te werk gesteld. Het regeringsbeleid werd bekend onder de naam werkverschaffing. 
In het kader van die werkverschaffing werd een begin gemaakt met het uitdiepen en verbreden van de watergangen, waaronder de Vlieten. Op sommige plaatsen kwam bij het graven een dikke turflaag te voorschijn. Veel Zuidlanders haastten zich naar de baggerplaatsen om daar met kruiwagens en karren de turf richting eigen erf te vervoeren, want kolen waren op de bon en je kreeg er niet voldoende van. Tientallen werklozen, en niet alleen Zuidlanders, waren dagelijks met schop en kruiwagen in de weer om het grote karwei van het uitdiepen en verbreden van de Vlieten te klaren.

Een electrisch gemaal in plaats van een stoomgemaal.
In het kader van al dit graafwerk kwam ook de bemaling van de polder ter sprake. Door het polderbestuur werd het besluit genomen om het stoomgemaal te vervangen door een elektrisch gemaal.  
In het jaar 1941 werd het elektrisch gemaal gebouwd. Het heeft dienst gedaan tot het jaar 1980 . Toen werd het gemaal, evenals de machinistenwoning, enkele huizen en schuren op het Zuidlandse Veer gesloopt. Een en ander in het kader van de nieuwe plannen van het waterschap. Het water, dat uit de polder gemalen moest worden ging voortaan precies de andere kant op, naar de andere kant van het eiland. Maar ook een waterschap heeft rekening te houden met de klimaatverandering en de daardoor ontstane soms meer dan overvloedige regenval. In sommige gevallen viel er zoveel regen, dat de gemalen het niet meer tijdig verwerken konden en er landerijen (ook in Zuidland) blank kwamen te staan. Er viel niet tegen te pompen! Wie nu langs de plek rijdt waar vroeger het gemaal stond, ziet er een apparaat staan, aangesloten op buizen van een flinke diameter, dat als de "(water)nood" aan de man komt, onmiddellijk kan worden ingezet om zijn grote broers elders te helpen het water, onder de zware dijk door, te lozen in de haven.

De haven.
Altijd heeft het polderbestuur bemoeiingen gehad met de haven van Zuidland. In eerste instantie was het een uitwateringssluis om het water uit de polder te lozen op het Spui, maar de haven werd voor de scheepvaart van steeds groter belang, zeker na de dichtslibbing van de Bernisse, toen overslag van goederen bij de Biersum niet meer mogelijk was. Het polderbestuur heeft altijd de belangen van de afwatering van de polder en de belangen van de scheepvaart goed tegen elkaar af moeten wegen. Door het maken van keuren heeft het polderbestuur altijd geprobeerd het gebruik van de haven door de scheepvaart in overeenstemming te brengen met de belangen van de polder. In de polderinventaris, vervaardigd door de heer Hordijk, is er al sprake van een keur op 30 september 1734. Deze keur en haar opvolgers van 6 mei 1740 en 23 december 1747, voldeden niet meer, dus werd op 6 oktober 1786 een nieuwe keur vastgesteld. De schippers waren klaarblijkelijk nogal eens in overtreding

tegen sommige bepalingen van de keur. Dit wordt als volgt verwoord: "veel schippers zich tegenwoordig komen te behelpen met uitvluchten van onwetendheid der keuren. De nieuwe keur zal echter aan de sluis bij de haven worden aangeplakt, zodat dit probleem ook opgelost is."
Omdat het onderhoud van de haven nogal een kostbare aangelegenheid was, werd er al op 1 mei 1718 een ordonnantie op het havengeld vastgesteld. Het polderbestuur inde de havengelden niet zelf, maar verpachtte dit aan een havenmeester. Later ging het innen van havengelden over in handen van het gemeentebestuur, dat in 1855 voor de Zuidlandse haven een havenreglement heeft vastgesteld. Kennelijk wilde het gemeentebestuur omstreeks 1894 stoppen met het innen van de havengelden, maar dat was niet naar de zin van het polderbestuur, dit wilde zelf de gelden weer gaan innen. En dat gebeurde vanaf 1895 op grond van een door de Kroon verleende concessie. In datzelfde jaar stelde het polderbestuur zelf een havenreglement vast, dat in 1897 door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland werd goedgekeurd. In later jaren werd het havenreglement meerdere malen gewijzigd. 
Het polderbestuur en later het waterschap droegen voortdurend zorg voor het verbeteren en onderhouden van de haven, niet in de laatste plaats om verzekerd te zijn van een goede afwatering van de polders. Al eerder in dit artikel werd vermeld, dat er al vóór 1644 een houten sluis was, waardoor de polder het water loosde op het Spui. In 1644 werd de houten sluis verbeterd. De verbeterde sluis werd in 1675 vervangen door een ste-
nen sluis. In 1690 werd in de haven een beschoeiing aangebracht. Veel later, pas in 1942, is er weer sprake van het maken van een damwand, ditmaal van beton.
Toen de polder Zuidland werd samengevoegd met de andere polders onder de naam van polder Drenkwaard, kwam er geen wijziging in het beheer en onderhoud van de haven van Zuidland. Het nieuwe polderbestuur rekende dit tot zijn taak.

De watersnoodramp van 1953 had tot gevolg, dat er grote veranderingen kwamen op waterstaatkundig gebied. De Deltawet van 8 mei 1958 had verstrekkende gevolgen. Zeearmen moesten worden afgedamd. Ook het Haringvliet. De afsluiting van deze rivier had directe gevolgen voor de havens en de loswallen op Voorne en Putten. Dit was zeker voor de Zuidlandse haven het geval, immers het kunnen gebruiken van de haven werd beperkt door een aanmerkelijke verlaging van de hoogwaterstanden bij vloed. Voor de aan- en afvoer van landbouwproducten en voor de aanvoer van zand en grind moesten de schepen in de haven toch voldoende water onder hun kiel hebben. Na de afdamming van het Haringvliet achtte het polderbestuur de aanpassing van de situatie noodzakelijk, temeer omdat de aanpassing op Rijkskosten kon plaatsvinden. In 1970 werd met de reconstructie begonnen. Op 6 mei 1971 kon de haven weer officieel in gebruik genomen worden. Toen de polder Drenkwaard op 1 januari 1973 werd opgeheven, werden alle taken en ook de rechten en de plichten door het Waterschap de Brielse Dijkring overgenomen. Na het verzanden en
later het afdammen van de Bemisse, waardoor het onmogelijk werd de Binnenkaai via de Bernisse te bereiken werd de haven op het Zuidlandse Veer ingeschakeld voor het vervoer van goederen en landbouwproducten. Het vervoer van deze goederen ging deels via de Vlieten en deels over de weg (via Krommedijk en Veerweg en na 1871 in hoofdzaak over de Langeweg in de polder Velgersdijk en de Munnikenweg. Toen er nog geen Spijkenissebrug was en er nog geen stoomtram reed, moesten alle goederen, bestemd voor de winkeliers en neringdoenden en ambachtslieden, deels over water worden aangevoerd. Bij uitstek was dit het werk van de beurtschippers, die op Rotterdam voeren. Naast deze goederen moesten er ook landbouwproducten, die in de Zuidlandse polder waren geteeld, vervoerd worden. Dat gebeurde dikwijls per schip. Aardappelen, tarwe, suikerbieten en andere voortbrengselen van de akkers vonden via het Spui en andere vaarwegen de plaats van bestemming, zoals de suikerfabrieken in Puttershoek en Oud-Beijerland.
Hoewel, suikerbieten werden soms ook vervoerd vanaf andere plaatsen, zoals het haventje bij de boerderij van wijlen de familie Vaandrager aan de
Zuidoordsedijk en zoals via een bevaarbare kreek op de gorzen langs het Haringvliet (ter hoogte van de Koeneweg) voordat deze rivier voorzien werd van de bekende dam. Ten behoeve van de landbouw werden er ook producten ingevoerd, zoals kunstmest. Deze was verpakt in balen van 100 kg, die één voor één via een ladder, op de schouders van de sjouwers, uit het ruim de wal op moesten worden gedragen. Over zwaar werk gesproken! Het transportbedrijf van Klaas Buitendijk en later van zijn zonen Wim en Piet heeft jarenlang in de oogsttijd tarwe gereden van de silo's van Van Beeks Handelsmaatschappij bij de molen, naar het Zuidlandse Veer. Janus van der Wal, die veerman was en caféhouder, begon ook nog eens met een zand- en grindhandel en kolenhandel, later voortgezet door zijn zonen Arie, Dirk en Wim. Het veer werd te klein; dus stichtten zij een bedrijf aan de Kerkweg, Er kwamen steeds nieuwe loodsen bij en al doende ontstond er een flink bedrijventerrein. Na de opheffing van het transportbedrijf gingen delen ervan over op familieleden. Er ontstond daarbij ook ruimte voor andere bedrijven. De zand- en grindhandel op het veer wordt nu gerund door de fa. Roos. Al jarenlang worden zand en grind niet meer in de haven gelost, maar langs een loswal langs het Spui, die 

haaks staat op de loswal van de haven en waaraan de zandschuiten rechtstreeks kunnen aanmeren, zonder dat zij de haven behoeven in te
draaien. Kranen en grote trechters doen de rest. Naast vervoer van goederen vond er ook vervoer van passagiers plaats. 


Zelf bewaar ik daar nog een vooroorlogse herinnering aan. Als klein jongetje ging ik aan de hand van mijn grootmoeder, wandelend van Huis en Hof naar de Biersum, waar een tante van mij woonde. Mijn oudere neefjes namen mij mee naar de daar ter plekke smalle gorzen langs het Spui, naar de waterkant, om vanaf die plaats de "Middelharnis" , een prachtige passagiersboot, voorbij te zien varen. Naast de "Middelharnis" is er sprake van andere stoombootondernemingen. Al in 1864 was er sprake van het gebruik van de haven van Zuidland door de Stoomvaartmaatschappijen
"de Spuistroom" en "Overflakkee en Goedereede". Omstreeks 1864 werden door het polderbestuur en de Stoombootmaatschappijen "den Bommel" en "Maasnymph" te Rotterdam en "De Oude Maas" te Oud-Beijerland, overeenkomsten getekend voor het gebruik van een gedeelte van de buitengorzen voor het hebben van aanlegplaatsen voor de stoomboten (1864-1905). In 1887 werd er zelfs een akte opgemaakt ten overstaan van notaris Loeff te Zuidland, waarbij een perceeltje grond in erfpacht werd gegeven aan de directie van de stoombootrederij "den Bommel" te Rotterdam. Ook nog in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen er allang en breed een stoomtram reed van Rotterdam naar Hellevoetsluis vice versa, lieten Zuidlanders zich nog met de boot naar Rotterdam brengen,  De boot meerde niet aan, maar voer in een langzaam tempo langs het

Zuidlandse Veer, waardoor Janus van der Wal, de veerman, gelegenheid kreeg om met zijn roeiboot, waarin de passagiers zaten, langszij de boot te varen en de roeiboot aan zijn grote broer vast te maken. De passagiers konden dan vervolgens via een touwladder op het dek van de boot komen. In welk jaar de laatste passagiersboot er mee gestopt is om Zuidlanders op te halen en naar Rotterdam te vervoeren is mij niet precies bekend, maar het zou wel eens met de tweede wereldoorlog te maken kunnen hebben. Jaren later heeft tenminste nog één passagiersschip gebruik gemaakt van de haven om daar aan te meren. 
De "ouden van dagen" van Zuidland werden tijdens de jaarlijkse bejaardenreis met de auto naar het veer gebracht, daar ingescheept, om vervolgens een dagtocht te maken en in de avond weer gedebarkeerd te worden. Van deze reis zijn nog foto's in het bezit van onze historische vereniging. 

't Slandse Veer in oorlogstijd.
Ook uit de tweede wereldoorlog zijn enkele gebeurtenissen bekend waarin de haven, maar ook de directe omgeving en het Spui zelf een rol speelde. Al vroeg in de oorlog, n.l. al in september 1940, werd de vrachtwagen van Janus van der Wal, merk Bedford, door de Duitsers gevorderd. Voorts is er het verhaal van de aardappels voor de onderduikers. De regionale leiding van de door de Duitsers verboden Anti-Revolutionaire Partij vergaderde in het geheim in het najaar van 1943 in Spijkenisse. De voorzitter van de Zuidlandse afdeling, wijlen Abraham Quak, was ook aanwezig in die vergadering. Er was uit het Rotterdamse een verzoek binnen gekomen om aardappelen beschikbaar te stellen voor de onderduikers in Rotterdam. Het verzoek werd doorgespeeld aan A. Quak. Hem werd gevraagd: "Zou je kans zien om zestig à zeventig mud aardappelen los te krijgen bij de boeren in Zuidland?" Quak zegde zijn medewerking toe. Juist in die tijd lagen de aardappels nog aan de hoop op het land; zij waren nog niet onder het winterdek gezet, zoals men dat toen noemde. Er was vorst op komst, dus de boeren wilden snel hun aardappels kwijt, liever dan dat zij alles op haren en snaren moesten zetten om de aardappels onder het winterdek te krijgen. Nu lag er een schuit in de haven die kon worden volgereden. De boeren die in het gelukkige bezit waren van enkele spannen paarden en meer dan 1 wagen, hadden hun voorraad het eerst in de schuit. Maar waren de zestig à zeventig mud voor de onderduikers daarbij? Neen. Dat ging als volgd: De kleine boertjes die zelf geen gerei hadden bleven met het vervoer naar de schuit ten achter. Het lukte Quak bij een van hen, n.l. C. Weeda aan de Kerkstraat het benodigde kwantum aardappels te kopen. De aardappels werden tijdelijk opgeslagen in een schuur op het terrein van de voormalige melkfabriek van de familie Quak. Omdat het ging vriezen
moesten de aardappels op een warmere plaats worden ondergebracht. Juist toen men met enkele mannen bezig was de aardappels over te dragen, schoot er een controleur van de CCD (een controledienst om o.a.de zwarte handel tegen te gaan) het terrein op. Hij droeg de naam Vogelaar, maar werd door de familie Quak "Psalm 119" genoemd, vanwege zijn lengte. De buurman, de kleermaker T .van Trigt, vertelde de controleur, dat de aardappels bestemd waren voor de uitgebreide familie Quak, die uit 5 gezinnen bestond. Kennelijk nam de controleur met deze uitleg genoegen. Nog een keer ontsprongen de aardappels de dans. Op een afgesproken datum verscheen een auto van Van Genderen uit Spijkenisse op het terrein van de melkfabriek om de aardappels op te laden. Toevallig werd de auto opgemerkt door de plaatselijke politie. De vraag naar herkomst en doel brachten Quak ertoe om alles maar eerlijk op te biechten, maar hij smeekte de beide agenten er toch geen werk van te maken, omdat dat mensenlevens zou gaan kosten. De politiemannen hebben inderdaad deze zaak in de doofpot gestopt. Zo kon het aardappeltransport naar Rotterdam toch nog doorgang vinden, echter niet per schip, maar per auto. Wat in de oorlogsjaren via de haven in het geheime circuit nog meer vervoerd is, is niet bekend, althans niet officieel. In februari 1944 kwam het bericht, dat heel Zuidland op stelten zette: Evacueren!

Sommige gezinnen, waaronder het onze, kregen de order om naar Wijk bij Duurstede te gaan, per schip, uit de haven van Zuidland. Mijn vader, die in de vlasfabriek van Van Meggelen werkte, wist na veel moeite een adres in Hoogvliet te vinden, zodat ons gezin geen vaartocht naar Wijk bij Duurstede behoefde te ondernemen. Andere gezinnen zijn wel vanuit de haven per schip naar hun nieuwe woonplaats afgevoerd. Ook is er nog een verhaal bekend van adspirant-Engelandvaarders, die via het Spui en het Haringvliet, naar Engeland probeerden te ontsnappen. Maar eerst even een ander verhaal en wel een verhaal uit de directe omgeving van het Zuidlandse Veer, n.l. De Biersum. 'Maarten de Graaff (oud-marineman) was in 1942 machinist van het gemaal op de Biersum. Hij woonde ook bij het gemaal. Via De Graaff was al eerder een groep Engelandvaarders met een motorboot vanuit de Biersum , via het Spui en het Haringvliet, buitengaats gebracht naar een wachtend Engels oorlogsschip. Van ons lid P. de Zeeuw kreeg ik enkele jaren geleden een kopie van een krantenknipsel uit "de Blauwe Wimpel" van mei 2000, een blad voor de koopvaardij. Uit dit blad neem ik letterlijk het volgende over: 
"Hij was ook de contactman van een groep Engelandvaarders, waartoe de gebroeders Max en Bernard Meijers en hun vriend Frederik Spitz behoorden, alsmede Carl Zellermeijer, de Hongaar Mikulas Baum, Wilhelmus Blomme, Cornelis Grashoff, de Tsjechische professor J.L.Fischer en Gerard Palms. Johannes Goedhart zou als navigator optreden. De deelnemers moesten de kosten van deze operatie (ca.f 3000 p.p.) opbrengen. Frederik Spitz trok zich op het laatste moment terug, omdat hij vond dat er in de ketting van medewerkers aan het plan, teveel schakels waren die niet waren te controleren. Achteraf bleek hij dat goed gezien te hebben en kon hij er later een goed verslag van geven. Zo herinnerde hij zich, dat Max en Bernard Meijers een diamanten armband van hun moeder te gelde maakten om hun deel aan de operatie te kunnen financieren.


Verraad. 
Als datum voor het vertrek uit Biersum werd 21 maart 1942 gekozen. Nog in gezelschap van Frederik Spitz reisden Max en Bernard Meijers met de trein naar Rotterdam, waar ze de andere Engelandvaarders ontmoetten. Daarvandaan vertrokken ze in groepjes naar de Avenue Concordia
(Kralingen). Tegenover de Gereformeerde kerk zou een auto hen oppikken. Spitz had afscheid genomen, maar hij bleef op enige afstand toekijken. Hij zag hoe tegen een uur of vijf een kleine grijze auto van de Wehrmacht de wachtenden oppikte en wegreed. Achter het stuur zat de toen 38-jarige garagehouder/chauffeur, Henk Luijendijk. Hij werkte ook als chauffeur voor de Wehrmacht en beschikte over flink wat volmachten, zoals voor het uitschrijven van rekeningen. Hij was een bekende van mede-Engelandvaarder Gerard Palms en Luijendijks (zogenaamd) fel antiDuitse houding had het vertrouwen van de groep gewonnen (.. ...) De rit voerde over de zwaarbewaakte brug bij Spijkenisse, maar de vrachtauto kon zonder problemen passeren. Op enige afstand gevolgd door twee auto's van de Sicherheitspolizei, op aanwijzing van Luijendijk, zoals prof. J.L.Fischer, de enige van deze groep Engelandvaarders, die dit verhaal kon navertellen, later aan Spitz zou melden.
De Engelandvaarders kwamen aan bij een boerderij op enkele honderden meters afstand van de boot, die in het haventje bij het gemaal was afgemeerd 
(. . ..) _ Plotseling zag één van de Engelandvaarders een aantal Duitsers met getrokken pistolen op de boerderij afstormen. Hij schreeuwde: "Wij zijn
omsingeld." Even later waren de Duitsers binnen en werden ze gearresteerd. Alleen de Tsjechische professor Fischer, die zich in een donker gangetje in een lege aardappelkist wist schuil te houden, ontkwam. Voor de vorm werd ook Luijendijk gearresteerd, maar korte tijd later werd hij 
f 3000.-rijker vrijgelaten. Machinist Maarten de Graaff was tijdens de overval niet aanwezig. In plaats van hem arresteerden de Duitsers zijn echtgenote, die ziekelijk was. De reeds bejaarde De Graaff (geboren 8 december 1874) die tijdig was gewaarschuwd, dook onder, maar om zijn vrouw te sparen, gaf hij zich een paar dagen later aan bij de politie te Rotterdam. Zes maanden later werd zijn echtgenote als een gebroken vrouw vrijgelaten. Maarten de Graaff stierf op 4 april 1944 in het concentratiekamp Natzweiler. Isaac Bravenboer (geboren op 15 maart 1878) die de boot had geleverd, kwam op 13 april 1943 om in concentratiekamp Buchenwald. Na een schertsproces werd over Johannes Goedhart (ook een marineman, die als navigator zou optreden-red )een dubbel ( ! ) doodvonnis uitgesproken vanwege zijn wapenbezit èn het bezit van de geheime informatie die hij naar Engeland zou smokkelen. Ook Max en Bermard Meijers, Mikta Baum en Carl Zellermeijer, die van Joodse huize waren, werden ter dood veroordeeld. De vijf Engelandvaarders werden op 15 augustus 1942 gefusilleerd. Hun mede-Engelandvaarders Gerard Palms,

Wilhelmus Blomme en Comelis Grashoff overleefden hun verblijf in het concentratiekamp. Tegen de verrader Luijendijk werd op 5 april 1946 door het Bijzonder Gerechtshof de doodstraf uitgesproken. Op 23 april 1947 verleende Koningin Wilhelmina hem gratie door de doodstraf om te zetten in levenslang. Koningin Juliana verleende hem op 8 februari 1960 opnieuw gratie, waarna hij op vrije voeten werd gesteld. Johannes' broer, G.J.van Heuven Goedhart (die zijn moeders naam van Heuven aan zijn familienaam had gekoppeld) was twee jaar later fortuinlijker dan zijn broer. Na een buitengewoon avontuurlijke tocht van 55 dagen, via Spanje, wist hij op 17 juni 1944 Engeland te bereiken (….). Van Heuven Goedhart werd kort na zijn aankomst opgenomen in de Nederlandse regering in ballingschap. Van 1951 - 1956 was hij Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen". Tot zover het verhaal over een mislukte ontsnappingspoging naar Engeland vanaf de Biersurn. Wat betreft Maarten de Graaff: Ter nagedachtenis aan hem werd in Simonshaven een straat naar hem genoemd, de Maarten de Graaffstraat. Nu volgt nog een gebeurtenis uit de oorlog. Ditmaal was de Zuidlandse haven het vertrekpunt van Engelandvaarders. De gegevens hierover ontving ik van Dirk van der Wal Azn. Van der Wal woonde destijds nog bij zijn ouders in het café aan de haven. Hij maakt melding van een vlucht met boten, waarbij een zoon van een meubelfabrikant uit Zoetermeer en nog twee jongens (vermoedelijk de naam Baksmeijer dragend) betrokken waren. Terwijl ik de naam Baksmeijer zit te typen, komt bij mij de gedachte op dat Van der Wal misschien de naam verkeerd verstaan heeft. Zouden de genoemde 2 jongens niet de broers Max Meijers en Bernard Meijrs geweest kunnen zijn en dat ze later nog eens een poging tot ontsnapping gewaagd hebben, maar dan via de Biersum? We gaan
verder met het verhaal. Er zou zelfs ook sprake zijn, dat ook een zoon van de burgemeester van Soerabaya, deel uitmaakte van het groepje adspirant-Engelandvaarders. Op een avond voer men uit, vanuit een oude kreek, destijds parallel lopend met de Zuidlandse haven. Deze poging mislukte, de boot voer bij eb omhoog. De onfortuinlijke Engelandvaarders werden de ochtend volgend op de ontvluchtingsnacht in het café van Van der Wal gesignaleerd.

Tenslotte nog enkele gegevens over een andere ontsnappingspoging - gegevens die ik ontving van wijlen H.J. Poldervaart, één van de mensen uit het Zuidlandse verzet. De verzetsgroep uit Zuidland kreeg op een dag te maken met een ontsnappings-poging van een jood, die met een boot, via het Spui en het Haringvliet de Noordzee wilde oversteken, naar een familielid, dat al in Engeland zat. Bij Hellevoetsluis werd de boot lek geschoten door Duitse snelboten. De Duitsers waren door gemeen verraad op de hoogte gebracht van de ontsnappingspoging, Het was dus een koud kunstje om de Engelandvaarders op te wachten en de boot lek te schieten, De bemanning van de boot, bestaande uit genoemde jood en zijn vrouw, alsmede de stuurman en diens vrouw, werden gevangen genomen. De jood, die blijkbaar niet onbemiddeld was, heeft zich bij een hoge Duitse officier vrijgekocht voor een bedrag van f 70000,--, tezamen met zijn medepassagiers. Op die manier verzekerde hij zich van een vrijgeleide naar Zwitserland. Na de oorlog is hij in Zuidland teruggekomen om na te gaan hoe het mogelijk was, dat de Duitsers op de hoogte waren van zijn ontsnapping. In het voormalige gemeentehuis aan de Ring is daarover nog een vergadering gehouden, Een politieofficier uit Hellevoetsluis heeft toen de schuld gekregen. Over verdere ontvluchtingspogingen vanuit Zuidland heb ik nooit gehoord. Wat nog wel vermeld moet worden, dat na de inundatie door de Duitsers in 1944, het Veer heel erg geïsoleerd lag. Duitsers bedienden hevels die mee moesten helpen om de Zuidlandse polder onder water te zetten. 

Visserij en nog wat.
Van tijd tot tijd wordt in de stukken van de polder melding gemaakt van onderhoud aan de oevers van het Spui. In de jaren twintig en dertig van de
vorige eeuw had het bedrijf van de Gebr. Pijl nogal eens werk te doen aan de Spuikant, zoals het aanbrengen van basaltglooiingen. Één van de
bewoners van het Zuidlandse Veer, Hannes Buitendijk, de vader van Wim Buitendijk, die nu nog in zijn ouderlijk huis woont, werkte ook wel eens bij Pijl. In die tijd ving hij nog wel eens zalm in het Spui. Ook Krijn van der Wal, een andere bewoner van het veer (niet meer in leven) viste in het Spui. In mijn jongensjaren kwam Krijn van der Wal wel eens met spiering langs de deur. Mijn moeder moest de spiering wel zelf bakken. Je hoorde ook nog wel eens verhalen over stropers die fuiken leeghaalden of zonder jachtakten een haasje probeerden te schieten. Zo werd verteld, dat één

van de jongere bewoners van het veer door de plaatselijke politie werd betrapt bij een strooptocht op de gorzen. De politie zette de achtervolging in.
De jongen rende de gorzen op, richting Spui, en dook met het geweer op zijn rug zo het water in en zwom naar de overkant. Hoe het verder afgelopen is, ben ik nooit te weten gekomen.
In de loop der jaren werd het Spui gebruikt door veel sportvissers, die al dan niet van een visakte voorzien, hun dobber op de golven lieten dansen. Bij duikers en dammetjes werd op paling gevist. Een beroepsvisser, Nobel uit Nieuw-Beijerland, zag je regelmatig met zijn visserschuit in het Spui, soms met de netten hoog in de mast getakeld om ze te laten drogen.
Wat maar zelden gebeurde, doch af en toe voorkwam, is dat het Spui geheel dichtvroor, zodanig dat je over het ijs lopend, de overkant kon bereiken. Klassiek is het verhaal, dat op 29 maart 1929 de muziekvereniging van Goudswaard het Spui lopend over het ijs overstak om het 25-jarig ambtsjubileum van burgemeester Gerrit van Andel muzikale luister bij te zetten en dat het zo hard vroor, dat de ventielen van de blaasinstrumenten bevroren.
Uit eigen herinnering weet ik nog, dat ik meen dat het in het jaar 1962 was, maar in het jaartal kan ik me vergissen, het in genoemd jaar ook een barre winter was en dat het Spui dichtvroor Heel Nederland werd via de televisie en de schrijvende pers opgeroepen om toch vooral te zorgen, dat de vogels niet omkwamen van de honger. Een onderwijzer van de school met de bijbel, Hugo van der Wal, trok met groepen schoolkinderen per fiets van het dorp naar het Zuidlandse Veer om de hongerende vogels rijkelijk te voorzien van oud brood en andere eetbare zaken.