^Back To Top

Historische Vereniging Zuytlant

Giften

Een gift kunt u overmaken op IBAN: NL82 RABO 0119.3257.48
ten name van Historische Vereniging Zuytlant.
Uw gift is aftrekbaar mbt uw belastingaangifte.

De Stamboom van Zuidland

stamboomvanzuidland small

Alle Slandenaars verzameld
in woord en beeld 

 

 

Herinneringen aan de Watersnood 1953

(Geschreven door P. Buis en eerste publicatie in de nieuwsbrief van december 2002).

Als heel Nederland en vooral het Westen zich opmaakt om de februariramp van 50 jaar geleden te herdenken, kan een historische vereniging, gevestigd in een dorp, dat de ramp in volle omvang over zich moest laten komen, niet achterblijven. Als voorzitter van onze historische vereniging reken ik het me tot een taak ten opzichte van onze leden om de herinnering aan het vreselijk gebeuren van de februaridagen van 1953 levend te houden. In de eerste plaats om de slachtoffers te gedenken; dat waren er in ons dorp 21. Maar ook vanwege het feit, dat de ramp deel uitmaakt van onze dorpsgeschiedenis. Ik heb in twijfel gestaan of ik uitsluitend de feiten van het gebeuren in die dagen in de herinnering terug moest roepen of dat ik ook mijn persoonlijke belevenissen daarbij kon aanhaken. Ik heb toch maar besloten, in overleg met enkele

medebestuursleden, om mijn persoonlijk wedervaren van 50 jaar geleden aan het papier toe te vertrouwen, op het gevaar af, dat u het wel al te eenzijdig op mijn persoon betrokken vindt. Niet omdat mijn verhaal zo spectaculair is, mijn belevenissen waren, gemeten aan de verschrikkelijke en wonderbaarlijke verhalen, die in de loop van de jaren in de media en de boeken verschenen, maar heel gewoontjes, niet bijzonder eigenlijk. Maar omdat ik de rampdagen vanaf 1 februari tot en met het herstel na de ramp altijd in Zuidland heb meegemaakt en niet geëvacueerd werd, vind ik het zelf een goede kapstok om de gebeurtenissen uit die dagen aan op te hangen. Er komen in dit verhaal veel algemeen bekende zaken aan de orde, maar ik begin eerst met mijn persoonlijke belevenissen.


Eerst even dit: Zuidland van 50 jaar geleden was wel even anders dan Zuidland in het jaar 2002. De nieuwbouw globaal omsloten door Raadhuisstraat, Kerkstraat, Dr. A. Kuyperstraat, Molendijk, Drogendijk en Kerkweg, was er nog niet. Alles was nog tuin-, landbouw- en weidegrond en boomgaard. Wel was er nog de oude Kerkhoek, met o.a. de coöperatieve maalderij "Vertrouwen" en de garage van P. v.d. Werff en de
melkzaak van A. Quispel. Ook langs de Kerkweg stonden wat verspreide huizen en boerderijen. Van de nieuwbouw globaal omgrensd door Raadhuisstraat, Kerkweg, Beeldsweg, Stationsweg en Nijverheidstraat was
ook nog maar weinig te bespeuren. Wel was "Huis en Hof" er en de Prins Bernhardstraat, vanaf de Verlorenkost tot de Willemstraat en verder was er al wat nieuwbouw langs de Willemstraat. Met de Wilhelminastraat (vanaf de Willemstraat) was men net begonnen, evenals met een stukje Julianastraat.
Ook het bedrijfsterrein aan de Kerkweg was nog niet gerealiseerd.
Samengevat: Zuidland was nog "klein". In het aantal inwoners uitgedrukt kwam Zuidland op 1 januari 1953 nog niet verder dan 2400. Verder kun je concluderen, dat er in de directe omgeving van het dorp veel meer ruimte was om met boten te varen, toen de zee bezit had genomen van Zuidland.

Zaterdagavond 31 januari 1953
Die zaterdagavond bracht ik door bij één van mijn vrienden, Henk Scholing, een zoon van de Gereformeerde dominee, H(ans) Scholing. De pastorie stond ongeveer op de plaats waar nu de bungalow staat van mevrouw M. van der Steen-Struik, aan de Raadhuisstraat, maar dan een beetje naar achteren.
Dominee Scholing werkte in zijn studeerkamer aan zijn preken voor de komende zondag. In de huiskamer was het gezellig. Mevrouw Scholing, Henk en ik zaten rond de kolenhaard, die een weldadige warmte verspreidde. We zaten te praten over alles en nog wat. De stormwind loeide om de pastorie en zoals u zelf ook wel weet: een sterke storm veroorzaakt veel verontrustende geluiden, zoals glijdende dakpannen. Geluiden die Henk de opmerking ontlokten: "Ik heb net zo'n gevoel, dat er vanavond iets kan gebeuren. Ik weet niet precies wat." Henk heeft niet lang hoeven te wachten op de verwezenlijking van zijn voorgevoel. Enkele uren later was het zover. Ongeveer half elf trok ik de voordeur van de pastorie achter mij dicht en ging richting Huis en Hof waar de familie Buis woonde (uiteraard via de Raadhuisstraat, want Huis en Hof was via de Verlorenkost nog niet bereikbaar). De Raadhuisstraat was toen nog een stuk smaller en aan weerszijden begrensd door wegsloten en voorzien van een bovengronds electriciteitsnet met houten

lantaarnpalen. Het stormde geweldig. Om het wat beeldrijker te zeggen: de windwagen van Beaufort daverde met al zijn twaalf wielen door de Zuidlandse polder, oftewel, er stond een storm met orkaankracht. De elek-
triciteitsdraden sloegen tengevolge van het windgeweld herhaaldelijk tegen elkaar en veroorzaakten keer op keer een onheilspellende vonkenregen. Ik herinner me niet dat ik dat ooit wel eens eerder gezien had. Ik werd er niet geruster op. Op de Kerkweg gekomen, had ik de grootste moeite om tegen de wind op te tornen. Met een flinke brok ongerustheid kroop ik in bed. Die ongerustheid werd nog vergroot door mijn broer, die enige tijd later thuis kwam met een onheilspellend verhaal. Mijn broer was uit geweest met enkele vrienden, waaronder Piet Buitendijk, een neef van ons, wiens vader, Klaas Buitendijk, een expeditie annex taxibedrijf had. Piet, die net zijn rijbewijs had, mocht een auto lenen en daarmee waren ze uit geweest. Wat was het
onheilspellende? Mijn broer begon te vertellen. "Piet, wat we nou gezien hebben, daar zijn we erg van geschrokken. We kwamen terug van Rotterdam en reden over de Spijkenisserbrug. We zagen dat het water zo verschrikkelijk hoog stond, dat je zowat je handen kon wassen vanaf het brugdek". Dat beeld maakte mijn ongerustheid nog een beetje groter, maar we zijn toch maar gaan slapen. Nog even dit over de Spijkenisserbrug. Dat was niet de brug die nu over de Oude Maas ligt, maar het was nog de oude brug, waar nu nog de restanten van dienen als monument en waarvan het wegdek veel lager lag dan het tegenwoordige.

Niet verrast door heet water een toch ook weer wel.
Heel veel mensen werden verrast door het water en moesten hals over kop het vege lijf zien te redden of hadden daar geen tijd meer voor en kwamen om in de golven. Ons gezin overkwam dat in eerste instantie niet, want onze buurman, Leen Zevenbergen, die getrouwd was met Mien de Koning, één van de laatste draagsters van de "Slanse krullemust", kwam ons uit bed trommelen. "Kom ter gauw ût, ze zegge, dat Velgersdîk onder water staat".
Velgersdijk onder water ? Dat was voor ons een verontrustend bericht, want onze zuster W. v.d. Sluis-Buis (niet meer in leven) woonde vlak bij Velgersdijk, in het poldertje van Van Beek. Daar hoop ik later in dit verhaal nog wat meer over te vertellen. Wij overlegden wat we moesten doen. 
Moeder maakte intussen de kolenhaard aan; zij ging thee zetten. Mijn broer en ik besloten om lopend naar Strodorp te gaan, want fietsen was onmogelijk, gezien de kracht van de storm.
Maar toen we bijna Huis en Hof verlaten hadden en op de hoek bij de Kerkweg kwamen, zagen we dat er iets mis was. Het water kolkte door de sloot die toen langs Huis en Hof liep. Het water van het Haringvliet spoelde
al een hele tijd over de dijk voordat deze doorbrak. Dat water zocht via de sloten zijn weg naar de laagste punten. Dat kolkende water deed ons besluiten om terug te gaan. Ik ben toen langs de huizen van Huis en Hof
gerend om de bewoners te waarschuwen dat het water er aan kwam. Op een gegeven ogenblik stroomde het water over de weg. Ik besloot zo snel mogelijk naar huis te gaan.
Ik was net de vloedgolf die ontstond na de dijkdoorbraak voor, en kon, weliswaar met natte voeten, het ouderlijk huis bereiken. Mijn broer werd door Teun Bevaart, onze koeienhoudende achterbuurman, gevraagd te helpen de koeien los te snijden. Dat deed hij, maar na het volbrengen van zijn missie, kon hij ternauwernood ons huis bereiken. Tot over zijn knieën door het water wadend, strompelend tegen de stroom in, wist hij nog net de achterdeur te bereiken, die hij met veel moeite nog dicht wist te krijgen. Vader had in de kamer ook ruzie met het water, dat door alle spleten en kieren en naden binnen kwam. Zijn pantoffels dreven door de kamer en die moest en zou hij toch nog redden. Moeder was al op de zolder. Zij was zo slim geweest om brood, boter en melk en enkele flessen met geweckte gehaktballen en ander vlees naar boven te transporteren (wij slachtten in die tijd zelf een varken en hadden altijd wel wat van het varken in de spekkuip of in de weckflessen). Wij zouden die zondag niet van de honger omkomen. Erg warm was het niet op de zolder, want er was in die tijd nog geen aardgas en de slaapkamers op de zolderverdieping werden slechts zelden verwarmd. Als we kou kregen kropen we maar onder de dekens. Het begon al een beetje licht te worden. Je kon door de ramen heen buiten al wat onderscheiden. Het water steeg verontrustend snel. Wat moest dat worden? We gingen bij de trap staan en telden de treden die onder water kwamen. De trap had veertien treden, als ik het goed onthouden heb, en het water bleef uiteindelijk stil staan bij de tiende of elfde

trede. Het water stond wel zo'n twee meter hoog. Eigenlijk was het een soort geruststelling toen we zagen dat het water zijn hoogste punt bereikt had, want we waren toch wel bang geweest, dat het nog hoger zou komen. Vader en moeder konden niet zwemmen, mijn broer en ik konden dat wel. In onze onnozelheid dachten we, dat als het nodig zou zijn, we nog wel zwemmend ergens op het droge zouden komen, maar vader en moeder….
Uit de ramen kijkend zagen we fascinerende dingen, niet zo plezierig om naar te kijken, maar toch. … je bleef kijken. Je zag overal het golvende water, met schuimkoppen bekroond, waar van alles op dreef. Wij hadden naast ons huis een aardappelhoop met winteraardappelen, zoals het op Huis en Hof in die dagen gebruikelijk was. Het varken van Jaap van Meggelen, de vlasboer, die aan de Kerkweg woonde, kwam over de tuinen aan zwemmen of beter gezegd aan drijven, vanwege de sterke stroom. Vlak bij ons huis voelde hij de aardappelhoop onder zijn poten, bleef daar even op staan, niet lang, want al snel werd hij weer voortgedreven door wind en stroom. Tegenover ons huis stonden de schuren en een druivenkas van Weduwe Velthuizen-Weeda. Van alles dreef daar tegenaan en stootte door het glas. Er kwam een gedeelte van de hooiberg van Teun Bevaart, onze achterbuurman, aan drijven met nog een kat en kippen er boven op. De hooiberg bleef voor de kas hangen. Koeien van Leen Sluimer, Dirk van den Berg, Teun Bevaart en anderen probeerden te zwemmen in het hard stromende water. Sommigen konden de druivenkas niet meer ontwijken en stootten met hun koppen door het glas, ten dode opgeschreven, een triest gezicht. Even verderop, op een iets hoger gelegen deel van de Kerkweg, dat toen nog niet volgebouwd was (nabij het Jodengraf) liep het paard van Piet van der Velde alsmaar heen en weer. Het wilde terug naar de stal, maar dat kon niet vanwege het wassende water. Je zag zijn lijf steeds dieper in het water komen. Tenslotte kon hij alleen zijn hoofd boven water houden en werd hij gegrepen door de stroom en verdween hij uit het zicht. Zulke dingen zag je met afschuw aan, maar je had het te druk met je eigen hachje om werkelijk tot je door te laten dringen wat er allemaal gebeurde. Wat we uit het bovenraam ook nog zagen, was bijna iets surrealistisch. Wat zagen we, wat verder de polder in, achter het Harregat, langs de Kerkweg, voorbijdrijven? Het houten huis van Lou Landman dat bij het rijtje van drie huizen aan de Langeweg had gestaan en in zijn geheel los van de grond was gekomen, en nu dobberend op de golven, een speelbal van de woeste elementen geworden was. Als een Chinese jonk (vanwege de hoge opbouw) dreef het huisje statig voorbij. Het is aangespoeld nabij het Verlaat

in de Drogendijk. Het was nog tamelijk heel gebleven.

Een vaartocht naar het hoge dorp. 
Zo zaten we dan op die zondagochtend op de zolder, ons afvragend of we nog wel gered zouden worden. Na een paar uren werden we gewaar, dat er reddingspogingen gedaan werden; we zagen af en toe een boot. Iedere keer bleek, dat de redders de grootste moeite hadden om tegen wind en stroom op te tornen en obstakels te ontwijken. Om een uur of twee kwamen ze ons gezin redden. Mijn broer en ik vonden, dat ze eerst maar de oudere mensen van de zolders af moesten halen en wij besloten maar op onze zolder te blijven.
Vader en moeder konden mee met de boot. Via de dakkapel verlieten zij het huis. Het is een vreemd gezicht als je je vader en je moeder aan de dakgoot ziet hangen om opgevangen te worden door sterke handen, die ze veilig in de boot deden belanden. Vader was penningmeester van de woningbouwvereniging "Huis en Hof" en hij haalde wekelijks de huur op. Dat gebeurde in die dagen nog handje-contantje. Dus al het opgehaalde geld kwam in de geldkist van Huis en Hof terecht. Vader had die geldkist meegenomen naar de zolder. Hij ging ook mee met de boot en werd daar door mijn vader angstvallig bewaakt. Toen onze ouders veilig en wel op de Ring waren geland, werden ze per auto opgehaald door mijn zwager, die met mijn oudste zus was
getrouwd, en naar Zwartewaal gebracht. Zij bleven bij hen totdat het in Zuidland weer een beetje leefbaar werd. Mijn broer en ik bleven alleen achter, wachtend totdat er uiteindelijk een boot zou komen opdagen om ons te komen halen. We waren er getuige van dat nog verschillende boten op Huis en Hof mensen gingen ophalen om ze naar het hoge dorp te brengen. Voor ons beiden duurde het nog tot laat in de middag, voordat er een boot kwam. 

Met veel moeite bereikten Jan Monster Barendzoon en Ton de Zwart, de kapper, Huis en Hof. Gelukkig was de dakkapel aan de kant van de huizen waar de wind niet opstond. Het kostte ons als jongens van 19 en 17 jaar niet zoveel moeite om in de boot te komen, geholpen door Jan en Ton. Jan Monster, die een ervaren roeier was, omdat hij veel op het Spui roeide, samen met Leen van den Engel, een onderwijzer van de christelijke school, vertelde ons, dat hij ook wilde proberen om het gezin van Molenaar op te halen, dat aan de
Beeldsweg woonde. Het eerste eindje ging nog wel, de bocht om en “de Middelpad” (nu de Irenestraat) op. In de luwte van de huizen lukte het nog net, maar toen we de laatste huizen van Jan Wolters en Arie Jongejan
gepasseerd waren, was het onbegonnen werk om op de grote open vlakte van de "Zoeklichtwei", die vanuit de boot gezien wel op een binnenzee leek, tegen de elementen op te tornen. Hoe hard ze ook aan de riemen trokken, we kwamen bijna niet vooruit. Grote golven sloegen stuk op de kop van de boot.
Het overspattende water maakte ons drijfnat. Dat deden ook de felle hagelen natte sneeuwbuien, die ons tijdens onze roeitocht begeleidden. Jan en Ton besloten terug te keren. Kijk ...dat ging beter, voor de wind en voor de stroom schoten we flink op. De tuinen waar we overheen voeren en de Verlorenkost leverden geen grote problemen op. Wel hadden we bij de ijzeren heul hoek Verlorenkost/Raadhuisstraat, de grootste moeite om het ijzeren hek van de heul te ronden, want dat was juist een open plek, een "trekgat " waar de wind

vrij spel had. Het lukte toch. Na 50 jaar herinner ik me nog hoe vreemd ik het vond om over de Raadhuisstraat en de Breedstraat te varen, met net nog een gedeelte van de letters van het opschrift op het winkelraam van slagerij Hoogvliet zichtbaar. Via de Kerkstraat bereikten wij de Ring, omstreeks 5 uur, net op het moment, dat de vloed het hoogst was. Het water stond toen verder dan halverwege de oprit van de Kerkstraat. De Ring stond vol met koeien, die nog op tijd waren gered. Ook in het plantsoen, liepen de beesten onrustig heen en weer, voor zover er nog ruimte was. We gingen naar het Jeugdhuis, op de hoek Ring/Stationsweg. Dat was op dat moment de enige plek waar we terecht konden. Het Jeugdhuis was toen eigendom van de Gereformeerde Kerk en bood vergaderruimte aan de verschillende Gereformeerde jeugdverenigingen, want in de oude Gereformeerde Kerk aan de Raadhuisstraat ontbrak het ten enenmale aan voldoende vergaderruimte voor de jeugd. Ik was lid van de jongelingsvereniging, die altijd in het
Jeugdhuis vergaderde en was dus op bekend terrein. Beneden was er een voorzaal, maar ook een achterzaal.

Op de bovenverdieping was er de grote zaal. Omdat mijn broer en ik doorweekt waren van al het water dat we over ons heen gekregen hadden, hadden we behoefte aan droge kleren. Daarom gingen we in de achterzaal bij de kachel zitten om onze kleren te drogen. Daar zat ook Jan van Meggelen Joor.zn. al. Jan was bij de brandweer en probeerde, terug van een zware reddingstocht, wat op verhaal te komen. Jan begon ten behoeve van een sneller droogproces, nog eens extra de kachel op te stoken. Blijkbaar deed hij dat wat al te enthousiast, want even later kwam brandweercommandant Wim van Trigt, vergezeld van enkele brandweer-
mensen binnenstormen met de vraag wat we eigenlijk aan het doen waren.

 

Wisten we niet, dat de vlammen uit de schoorsteen sloegen? We waren sprakeloos van verbazing. De schoorsteen in brand? En dat met zoveel water om ons heen? Gelukkig is het goed afgelopen, na enige activiteiten van de brandweer. Later vonden we het grappig, dat uitgerekend een brandweerman het vuurtje aanwakkerde.