^Back To Top

Historische Vereniging Zuytlant

Uitbreiding Blushus (wie maakt het vol?)

€ 10000
donation thermometer
donation thermometer
€ 9000
donation thermometer
90%
Laatste update
dec 2016
WIE MAAKT HET VOL? U kunt uw gift overmaken op IBAN: NL82 RABO 0119.3257.48 ten name van Historische Vereniging Zuytlant. Uw gift is aftrekbaar mbt uw belastingaangifte.

De Stamboom van Zuidland

stamboomvanzuidland small

Alle Slandenaars verzameld
in woord en beeld 

 

 

Zuidland is al vrij oud en gelukkig zijn er documenten geweest die ons hebben geholpen bij het redelijk in kaart brengen van de ontstaansgeschiedenis van het dorp. 
Hieronder treft u de algemene ontstaansgeschiedenis aan van ons dorp, onderverdeeld in stukjes.
Deze documentatie is voornamelijk geciteerd uit de boeken die reeds zijn geschreven door S. de Hoog (Zuidland Dorp uit het Niet), R. Bakker (Zuidland), Joh. van Toledo (Grepen uit de Geschiedenis van Zuidland), en L.W. Hordijk (Het Archief van het Ambacht van Zuidland 1551-1811 van het Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg), alsmede archiefstukken van de Historische Vereniging Zuytlant.

Het Wapen van Zuidland

wapenZuidland1980Op de website van de Hoge Raad van Adel staan de wapens gepubliceerd zoals deze officieel geregistreerd staan, zoals van alle (voormalige) gemeenten. De omschrijving van het wapen van de gemeente Zuidland luidt als volgt: 
"Coup? het eerste van zilver, beladen met een pal van lazuur; het tweede van zilver, beladen met twee fasces van sabel, op de bovenste van welke drie en op de onderste twee boomen van synople."
Zie ook de website hier (klikken).

 

Landbouw

In later jaren toen de handel kwijnde, maakte de landbouw veelal het bestaan van de meeste ingezetenen uit. Er werd veel hooi, koren, vlas, aardappelen en lavaszaad verbouwd. Vele hielden vee, anderen verdienden hun brood in de veehandel. Voorts wordt melding gemaakt van een meestoof of meebereiderij (bereiding van bepaalde verfstof).

"Westenrijck" was vanouds al een 'korenlande' en werd als zodanig dan ook intensief bebouwd blijkens een der keuren van 1423. Met de polder Velgersdijk was dat enigszins anders, omdat die nog niet ingedijkt was. Wel lag er al een kade omheen, maar deze was niet voldoende om de hoge vloeden te keren. Deze polder had wel waarde als weiland en hooiland en bevatte ook nog aardig wat bosgrond.
Een 'korenlande' werd het in de eigenlijke zin eerst in 1666. Toen kreeg het polderbestuur van Velgersdijk vergunning om uit het Zuidlandsche Spui zoveel aarde te halen als nodig was voor het maken en ophogen van de Velgersdijkse dijk. Daardoor kreeg Zuidland met weinig kosten een kostelijke brede en diepe afvoerweg voor het overtollige water (de Vlieten) en Velgersdijk kwam enkel voor het arbeidsloon aan zoveel specie als nodig was om van de polder definitief een 'korenlande' te maken.
Door bedijking van delen van de geheel toegeslibde Bornesse of Wiedele en de vroegere reeds bekade Beeningerwaard en Nieuw-Zuidoord werd omstreeks die tijd, iets vroeger of iets later het bebouwbare gedeelte van Zuidland aanmerkelijk vergroot. Toen van 1750 tot 1850 de handel in verval was en de landbouw meer opkwam, legde men zich in later tijd ook op de tuinbouw toe. Omstreeks 1850 werden er in de gemeente veel grote en kleine boomgaarden en tuinen aangetroffen, welke toen al heel goede aardbeien en aalbessen opleverden. In die tijd schijnt ook het onderstaande gedichtje gemaakt te zijn:

"Dit dorp omringd van Lust-prieelen, 
en vruchtbare landen, daar het Koorn welig groeid
In welvaart door het vlas, lavas en meezaad bloeid,
Kan ieders hart en oogen streelen
Wie die dus deze schets slechts ziet,
Kent aan deez' trekken Zuidland niet?"

Tot op de dag van heden is de landbouw een belangrijk middel van bestaan gebleven. Uiteraard is in de landbouw de tijd niet stil blijven staan. Veel werkkrachten werden door machines vervangen. Ten gevolge van mechanisatie in de landbouw is slechts een klein percentage van de bevolking nog werkzaam in de agrarische sector.

 

Van slib tot klei

Waar u en ik nu dagelijks lopen daar was vroeger alleen maar water. Rusteloos water, door eb- en vloedstromen in voortdurende beweging.
Uit dit water groeiden in het verre verleden vier zandbanken in onze kontreien. Deze zand- en slibplaten kregen elk een naam:

* Drenkwaard
* Zuidoord
* Scharde of ook wel Andel
* Quateen

Om deze vier gorzen werd waarschijnlijk voor 1200 een kade gelegd. Onderling werden de gorzen gescheiden door brede stromen.
De tegenwoordige Bernisse, nu een waterloop van slechts luttele meters breed, heette in die tijden de Wiedele of Bornesse. Dit water scheidde de Drenkwaard van Simonshaven en Biervliet of Biert.
De scheiding met Abbenbroek werd gevormd door de Westenrijk, ook Westrick of Westerlecke genoemd. De breedte van de Bornesse was gelijk aan de afstand tussen de huidige Stationsweg en de Stompaardsedijk. De Westenrijk bespoelde enerzijds de Haasdijk, alsmede de Ruigendijk en anderzijds de gorzen Drenkwaard en Quateen.
Bij de Oudenhoornse hoofden (die Zanthofde) liep de Westenrijk met een zeer brede mond uit in het Haringvliet (den Herinck). Hoewel de rivier behoorlijk breed was, was ze niet erg diep, want ca 1300 was dit water niet meer bevaarbaar en bestond slechts uit moeras en bieslanden, rijk aan waterwild.

Ca. 1200 werd op het gors  Drenkwaard het gelijknamig kasteel gesticht door Heer Hendrik van Drenkwaard. Dit kasteel moet ongeveer gestaan hebben, waar rond 1970 de boerderij van de familie Vlielander stond, in de hoek tussen de Molendijk en Drogendijk.
Afgaande op oude kaarten, bewaard gebleven in het Rijksarchief, waren de gorzen Zuidoord en Scharde begrensd door de Beeningen, het Haringvliet en de Scholvliet, terwijl de Zuidoord in het Noorden aansloot bij de Drenkwaard. Het Haringvliet had toen nog lang niet de tegenwoordige breedte. De huidige polder Beningerwaard behoorde tot de Zuidoord.
De Quateen, begrensd door Scholvliet en Westenrijk, in het Noordoosten aansluitende bij de Drenkwaard, stak ongeveer evenver in het Haringvliet als de Scharde. 
De juiste plaats van de dijken en de tijd, waarin de gorzen voor bouwland geschikt gemaakt werden, zijn niet meer precies na te gaan.

Zeer belangrijk voor deze gemeenten waren de eerste jaren na 1400. Volgens een handschrift van 3 november 1412 gaf Jacob van Gaasbeek, Heer van Putten, zijn voornemen te kennen de vier nog niet aangesloten gorzen in te dijken tot een korenland en er een geheel van te maken. De bedijking begon in 1413 en werd voltooid in 1416. Het werk werd uitgevoerd door Godevaart van Sydoort, neef van Jacob van Gaasbeek.
Op 20 februari 1416 gaf de Heer van Abbenbroek vergunning om de Gooijdijk (de huidige Stationsweg) aan te sluiten aan de Haasdijk. In 1418 werd het hele werk voltooid door een zware dijk, aangelegd of versterkt, van de Haasdijk af, langs de tegenwoordige molen naar Strodorp, langs Zuidoord en verder aansluitend bij de Oudenhoornse Hoofden. Er was geen half werk gedaan. Bij de Sint Elisabethsvloed van 1421 werden 72 dorpen, waaronder ook Heenvliet, Geervliet, Abbenbroek en Simonshaven overstroomd. 45 van de 72 dorpen werden geheel verwoest, maar Westenrijk (zoals Zuidland toen heette) bleef gespaard

 

Visserij en Handel

Als men komende van de oprit van de Kerkstraat in rechte richting de Ring oversteekt, bevindt men zich op de plaats waar omstreeks 1423 de visbank stond. Waar een visbank aanwezig is en gebruikt wordt is de handel in vis niet onbelangrijk.


Het verhandelen van vis was in oude tijden streng gereglementeerd. Toen de bovengekomen en aangeslibde platen door kaden waren omringd, werden die drooggemaakte gronden in het begin gebruikt tot uitoefening van het zoutbedrijf en voor turfbereiding. Dit waren de eerste bedrijven, waarmede de vroegste inwoners van Zuidland zich bezig hielden, want onder de zandlaag zat op vele plaatsen een laag veen. Men noemde het turfbereiden "vermoeren" en het zoutberdijf "selnering". Dit zout werd dan naar de zoutziederij in Den Briel gebracht voor de voedselvoorziening om voor de visserij of ander doel te worden gebruikt.


Verder onstond er een levendige handel voornamelijk door de schepen die ook onze haven aandeden, waaronder Vlaamse, Engelse en Duitse vaartuigen. Deze handel breidde zich al meer uit, waarom Jacob van Gaasbeek, Heer van Putten, de gemeente een "vrije markt" schonk. Deze markt die een week en jaarmarkt werd, kreeg een grote vermaardheid voor deze omgeving, want vele vreemde kooplieden bezochten haar. Tot zelfs in de 19e eeuw kwamen de Brabantse en Vlaamse kooplieden ons dorp en omstreken bezoeken, meestal met hun textielwaren, waaronder zeer fijn kant.
Toen de Bornesse later ging verzanden, was de markt in de 15e eeuw toch nog belangrijk, al kwamen toen niet zoveel schepen de haven meer binnen. Het werd toen meer een markt van plaatselijke betekenis. Zo mocht het dorp zich in ongekende bloei verheugen en telde in 1632 reeds 233 huizen en een bevolking geschat op ruim 1700 zielen. Door het teruglopen van de welvaart liep ook het inwonertal terug. In het jaar 1732 waren er nog maar 150 huizen. Na het graven van de nieuwe Vlieten (zie het artikel Landbouw) werd buitendijks een haven aangelegd bij het Zuidlandse veer. Aan- en afvoer van goederen naar en van het dorp hadden plaats langs Oude en Nieuwe Watering, door 't Verlaat en de Vlieten.


De Binnenkaai (thans gedempt maar lag tussen het begin en het einde van de Kerkstraat aan de kant waar nu onder andere Trijselaar gevestigd is), vormde begin- en eindpunt.
De goederen moesten bij het Zuidlandse Veer over de dijk worden gedragen, omdat de Vlieten niet in open verbinding stonden met de haven. Van deze weg werd gebruik gemaakt tot ongeveer 1880. Na die tijd raakte deze vaarweg in onbruik.