^Back To Top

Historische Vereniging Zuytlant

Giften

Een gift kunt u overmaken op IBAN: NL82 RABO 0119.3257.48
ten name van Historische Vereniging Zuytlant.
Uw gift is aftrekbaar mbt uw belastingaangifte.

De Stamboom van Zuidland

stamboomvanzuidland small

Alle Slandenaars verzameld
in woord en beeld 

 

 

Zuidland is al vrij oud en gelukkig zijn er documenten geweest die ons hebben geholpen bij het redelijk in kaart brengen van de ontstaansgeschiedenis van het dorp. 
Hieronder treft u de algemene ontstaansgeschiedenis aan van ons dorp, onderverdeeld in stukjes.
Deze documentatie is voornamelijk geciteerd uit de boeken die reeds zijn geschreven door S. de Hoog (Zuidland Dorp uit het Niet), R. Bakker (Zuidland), Joh. van Toledo (Grepen uit de Geschiedenis van Zuidland), en L.W. Hordijk (Het Archief van het Ambacht van Zuidland 1551-1811 van het Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg), alsmede archiefstukken van de Historische Vereniging Zuytlant.

Filmpjes Zuidland 1962

De afgelopen weken zijn er via onze facebookpagina filmpjes geplaatst uit 1962, gemaakt in en rond Zuidland. U kunt deze filmpjes terugkijken via Youtube op https://www.youtube.com/channel/UCGQQJ2MCPr_YRhnW4s1ok-A

Wie de film ooit maakte is niet echt duidelijk maar het was in opdracht van de Plattelandsvrouwen. Ad van Rijs heeft deze op enig moment in handen gekregen en laten digitaliseren. Door mij (Arjen B.) zijn deze tot kleinere filmpjes bewerkt en hier geplaatst.

De gehele film is ook als DVD verkrijgbaar voor €10 bij de Historische Vereniging Zuidland. 
Daarmee steunt u gelijk onze aktiviteiten en plannen voor de uitbouw van het Blushus. Het is belangrijk dat niet alleen spullen maar ook herinneringen aan Zuidland zoals u en ik deze hebben, vastgelegd en bewaard worden!
Lid worden of gewoon een kleine donatie kan natuurlijk ook. Klik op lid worden in het menu, neem contact op met iemand van het bestuur of kom op dinsdagmiddag langs op het Blushus. Er staat een maquette van oud Zuidland, vele oude gereedschappen en gebruiksvoorwerpen, natuurlijk alles van en over Zuidland en een bakje koffie of thee....



Lees meer: Filmpjes Zuidland 1962

Het bestuur en de Keuren

Wij hebben reeds gezien, dat Westenrijck behoorde tot Putten en dat de baljuw van Putten hier de heerlijke rechten uitoefende of die verpachtte of beleende.
Het bestuur, het hoge en lage gerecht, het lijfstraffelijk en halsrecht, alles geschiedde hier door hem of in zijn naam.


De eerste leenman, waarvan men leest, was Hendrik van Drenkwaard, wiens zonenn in 1229 door de baljuw van Putten met het hoge en lage gerecht werden bekleed, d.w.z. met het recht om te gijzelen en om boeten te heffen van degenen, die de 'coeren en ordonnancn' overtraden. En omstreeks 1450 was het weder een Hendrik van Drenkwaard die het lijfstraffelijken halsrecht mocht uitoefenen, d.w.z. die in de naam van de baljuw van Putten aan de lijve mocht straffen en zelfs misdadigers mocht doen ter dood brengen door onthoofding of verdrinking of galg. Ingeval van ter doodbrenging moest de leenmanm tevens zorgen voor begraving van de terechtgestelden, want deze mochten als onzaligen geen eerlijke begrafenis hebben in de kerk of op het kerkhof rondom de kerk.
Wij maakten reeds melding van het 'galgeveld'. Dit lag in de hoek Drogendijk-Krommedijk. Ter plaatse werd daar de doodstraf aan de misdadigers voltrokken door middel van de galg. Wanneer misdadigers door verdrinking om het leven werden gebracht gebeurde dit in een diep meertje (in of nabij de Watering lopend langs de Stationsweg). Hoeveel en welke personen op het galgeveld en in het 'onzalig meertje' zijn terecht gesteld is niet bekend. De Schout, burgemeesters en schepenen maakten zonodig, 'nieuwe coeren en ordonnancen' of gemeenteverordeningen en zorgden voor de naleving der bestaande. De bode had tot taak zoals zijn titel reeds aanduidde, het verrichten van allerlei hem door Schout, burgemeesters en schepenen opgedragen boodschappen en het mondeling aankondigen van de leden van de vroedschap.
Het instituut van de 'buurlieden' was van een geheel andere aard. Deze werden aangewezen door de schout. Als zij hun benoeming aannamen legden zij de eed van trouw aan de Graaf van Holland af. Zij werden verplicht te zorgen dat er 's-nachts en 's-avonds kaarsen brandden achter het raam aan de straatzijde.
Ook moesten zij zorgen dat zij brandladders bij hun woning hadden, voorzien van brandhaken. Voor 1423 was hier al een goed geregeld bestuur, want in dat jaar werd een aantal keuren en ordonnanties in een bundel bijeengebracht.


Wij zagen reeds dat de heerlijke rechten werden uitgeoefend door de Ambachtsheer van Putten. Hij kon die heerlijke rechten weer verkopen of verlenen. Bestuur en rechtsspraak geschiedde door hem of in zijn naam. Bij ontstentenis van een ambachtsheer en dat was nogal vaak, gingen verschillende van de rechten over op de schout, burgemeesters en schepenen.
Vanaf het begin van de tachtigjarige oorlog tot 1731 wordt geen melding gemaakt van heren van Drenkwaard of Ambachtsheren van Zuidland. Wellicht hebben gedurende die tijd de heerlijke rechten behoord bij de rechten van de baljuw van Putten. Na een zeer lange periode, waarin van geen ambachtsheer in archieven van de kerk, gemeente en polder gerept wordt is er in 1731 weer sprake van een ambachtsheer, nl. Pieter van der Mersch en Vrouwe Maria Zijdervelt.
Genoemde Pieter van der Mersch verkreeg in 1731 de waardigheid van Ambachtsheer van Zuidland en Velgersdijk. Hij woonde op een hoeve in de Beningerwaard. Een gewichtige dag voor Zuidland was 18 oktober 1731. Toen maakten de Ambachtsheer en Vrouwe voor het eerst kennis met het hen ondergeschikte bestuur van Zuidland en Velgersdijk. Op die dag werd aan de schepenen medegedeeld aan welke eed zij zich voortaan te houden hadden.


Pieter van der Mersch werd in de ambachtsheerlijkheid opgevolgd door zijn zoon Johannes Anthony van der Mersch. Op 3 december 1791 geeft Vrouwe M.A. van der Vliet, weduwe van Johannes Anthony, aan schout en schepenen kennis, dat zij de ambachtsheerlijkheid Zuidland en Velgersdijk met alle daartoe behorende rechten heeft verkocht aan de Weledel Gestrenge Heer Arend van der Werff te Dordrecht.
Door de afschaffing van de Heerlijke Rechten door de overheid van de Bataafse Republiek en naderhand definitief bij de grondwetsherziening van 1848 verdwenen deze heerlijke rechten en werd Zuidland een gemeente.

 

Het Dorp

Waneer is de grondslag van het dorp gelegd?
Wij weten het niet. Wel weten we dat het dorp al zeer oud is.

In 1229 moet het al bevolkt zijn geweest. Immers toen kregen de zonen van heer Hendrik van Drenkwaard van Nicolaas I, Heer van Putten "Het hoge en lage gerecht", dat wil zeggen het recht om te straffen met boete en gijzeling. In verband met de verlening van bovengenoemde rechten mag wel worden aangenomen, dat er in dat jaar reeds een bevolking aanwezig was. 
Ook weten we, dat voor 1423 hier al een goed geregeld bestuur bestond, want in dat jaar werd een aantal keuren en ordinantien in een budnel bijeengebracht onder de titel: "Koeren en de Ordonnancen" als die schout, Burgemeesteren en Scepenen van Westenryck versaemt hebben in 't Jaer virthien hondert ende drie en twintich".

Voor hier kaden of dijken waren opgeworpen besloeg de Zuidelijke monding van de Wiedele ongeveer het gehele gebied van ons dorp. En toen door aanslibbing de vroegere genoemde vier gorzen onstonden en in waarde toenamen, maakten zowel de Heer van Voorne als die van Putten er aanspraak op.
Uit verschillende stukken, aanwezig in het Rijksarchief, blijkt dat sommige delen gemeenschappelijk eigendom der beide heren waren en die toestand duurde zelfs voort tot heer Hendrik van Drenkwaard omstreeks het jaar 1200, die leenplichtig was voor 2/5 deel aan de baljuw van Voorne en voor 3/5 deel aan de baljuw van Putten. Na die tijd leest men niet meer van rechten van de Heer van Voorne op de gronden en waren het de Heren van Putten, die toestemming gaven tot het bedijken, die de "heren vande Lande van Westenrijck" in 1229, het hoge en lage gerecht en omstreeks 1540 ook het lijfstraffelijk en halsrecht verleenden. De baljuw van Putten benoemde hier Schout, burgemeesters en Schepenen. Kortom, regering, rechtspraak, alles geschiedde hier door hem of in naam van hem. Het was de Baljuw van Putten die hier de heerlijke rechten uitoefende of die kon verlenen of verkopen of verpachten.
Iemand die door verlening of koop of pacht met de heerlijke rechten was bekleed, droeg de titel van ambachtsheer, leenman van de Ruwaerd van Putten. Tot deze heerlijke rechten behoorden o.a.
1. het aanstellen en ontslaan van schout, burgemeesters en schepenen en bodes;
2. het aanstellen en ontslaan van de schoolmeesters, de bewaarschoolhouders, de chirurgijn, de vroedvrouwen etc.

Omstreeks 1423 was de Bornesse nog over de volle lengte en breedte bevaarbaar. In deze rivier stak het Hoofd uit.
Het Hoofd was niet, zoals nu, ter weerszijden bebouwd. Aan beide zijden van het Hoofd was een aanlegplaats voor schepen. De haven eindigde in een verbreding of kom. Die havenkom lag ongeveer op de plaats waar nu de Ring is. Er was nog geen verbinding tussen Molendijk en Stationsweg.
In die havenkom kwamen twee sluizen uit, waarvan de een met een schuif, de ander met openslaande deuren.
De sluis met deuren liep van uit de havenkom onder de straat door, waar nu ter linkerzijde van het Korte Slop (thans oprit van de Kerkstraat) het oude Schippershuis staat en liep uit in de oude watering via de z.g. bomkelder (onder het Schippershuis, dat in 1637 werd gebouwd).
De sluis deed dubbele dienst. In tijden van droogte tot het inlaten van vers water, in tijden van regenval voor spuiing van het overtollige water in haven en Bornesse.

De andere sluis, die met de schuif, liep ook onder de straat door en ging verder naar huis, thans Ring 22. Deze sluis diende enkel om de brandsloten in en langs het dorp van het nodige water te voorzien. Die brandsloten liepen voornamelijk achter de huizen langs de Achterweg, in het dorp rond de (hervormde) kerk en het (oude) kerkhof. Ze waren reeds van water voorzien om dit in geval van brand bij de hand te hebben.

Het kasteel Drenkwaard

Het kasteel Drenkwaard is omstreeks 1200 gesticht. Van dit kasteel is niet veel bekend. Omtrent de stijl, bouwwijze enz., alsook of er al dan niet een gracht omheen gelegen heeft, tast men in het duister.
Wel is bekend, dat dit kasteel behalve woning voor de adellijke familie van Heer Hendrik van Drenkwaard ook een afdeling bevatte die als gevangenis dienst deed. Heer Hendrik van Drenkwaard was bevoegd tot straffen. Geldboeten mocht hij opleggen, tevens kon hij voor bepaalde vergrijpen de daders 'gijzelen'. De gestraften werden in het kasteel in een bepaalde afdeling ondergebracht.


Zodra de Heren van Drenkwaard het lijfstraffelijk en het halsrecht hadden verkregen, hadden zij ook als symbool van hun macht behoefte aan een galg.
En die galg werd opgericht aan de overkant van de Drogendijk op het land, dat later de naam droeg van Galgeveld (hoek Drogendijk-Molendijk-Krommedijk). Hoeveel malen en wanneer die galg zijn lugubere diensten heeft bewezen is niet bekend. Toch is er wel grond voor de veronderstelling, dat de galg werkelijke dienst heeft gedaan. Het lijk van een terechtgestelde mocht geen eerlijke begrafenis hebben in gewijde aard of om de kerk, maar werd zonder enige kerkelijke ceremonie hier of daar niet ver van de plaats van terechtstelling onde de grond gestopt.


Nu leenden de gronden waarop de galg stond zich niet goed voor begraafplaats, omdat ze toen nog tweemaal per dag, dikwijls onder water gezet werden door de vloed. De polder Velgersdijk was immers toen nog niet bedijkt aan de Spuizijde. Later zijn in de buiten- en binnenbermen van de tegenwoordige Drogendijk menselijke geraamten gevonden.


Naast de de funktie van inleg- gijzel- of gevangeniscellen hadden de cellen in het kasteel ook nog een andere funktie. Zij dienden ook tot nachtverblijf van de vele bedelaars en landlopers, die vroeger meermalen een ware plaag en een gevaar voor de rustige burgers van Drenkwaard vormden. De keuren waren streng op dit punt. Zo zou geen van die dakloze zwervers het gewaagd hebben de nacht in de polder of langs dijken en wegen door te brengen aangezien de keuren dit verboden. Bij ontdekking van deze overtreding zou dit geleid hebben tot een flinke straf.

 

Het onderwijs

Evenals er van vroegere tijden af kerkdiensten waren, werd er ook school gehouden voor de kinderen. Dat dit toen een heel probleem was, blijkt uit de vele analfabeten uit die dagen.

In de zomer ging het nog wel, al was de opkomst dan ook niet groot, maar in de winter leverde het schoolbezoek vooral voor hen die ver in de polder woonden grote bezwaren op. Er waren geen verharde wegen, maar alleen slijkwegen, die door de vele regens dikwijls veranderden in plassen en in de herfst en winter onbegaanbaar waren. Soms hielden 3 of 4 landbouwers er zelf een schoolmeester op na en deze werd dan bij toerbeurt onderhouden door deze mensen.

Waar heeft de eerste school in deze gemeente bestaan?
Deze heeft zoals na nauwkeurig onderzoek is gebleken van de vroegste tijden af, zelfs voor de Hervorming gestaan waar vroeger de loodgieterswerkplaats van de firma Trijselaar-Vermeer stond aan de Kerkstraat.
Uit verschillende aanwijzingen kan worden opgemaakt, dat tijdens de Republiek het schoolgebouw een houten schuur was. In de winter bracht elke leerling een turf mee, waarvan in het midden van het lokaal een aardig vuurtje werd aangelegd en onderhouden.
De rook moest al kronkelend een uitweg zoeken door het gat in het dak. Op de scholen omstreeks 1648 was de Bijbel grondslag voor de opvoeding en de Heidelbergse Catechismus het godsdienstig leerboek.
In het midden van de 18e eeuw kwam er verzet tegen het bijbels en leerstellig onderwijs.
Uit dit verzet groeide de openbare school. Na 1830 werden bijbel en catechismus uit de scholen geweerd. Dit was niet naar de zin van velen. Zij wilden het onderwijs met als grondslag de bijbel weer terug op de scholen. Dit was het signaal tot de schoolstrijd. Als de ouders een christelijke opvoeding voor hun kinderen verlangden, dan moesten zij zelf maar voor een school zorgen, zo was het standpunt van die dagen. En bij deze regeling moest verlof worden aangevraagd om een dergelijke school te stichten. Dit werd dikwijls aarzelend gegeven of botweg geweigerd.

Na alle verwikkelingen die de schoolstrijd te weeg bracht kwam in 1887 onder leiding van ds. Bajema de christelijke school tot stand, die met 90 leerlingen begon in twee lokalen met een hoofdonderwijzer en een kwekeling.
De school breidde allengs uit tot er een nieuw gebouwde school aan de Nijverheidsstraat kwam met 7 lokalen, 7 leerkrachten en 290 leerlingen, terwijl de openbare school tot een 100-tal leerlingen slonk.
In verband met de gestadige groei van de gemeente en de uitbreiding van het leerlingenaantal werd de bouw van een 2e christelijke school voor basisonderwijs noodzakelijk. Deze verrees in het jaar 1968 onder de naam "de Aanwas" in het nieuwe bestemmingsplan "Dorp", aanvankelijk met 2 lokalen en later uitgebreid met nog eens 2.

De openbare school betrok het nieuwe schoolgebouw aan de Emmastraat op 16 juni 1958. Deze school werd uitgebreid tot 6 lokalen en een gemeenschapsruimte.
De bewaarschool werd lange tijd gehouden in een daarvoor ingericht gebouw aan de Ring (nu hotel-restaurant Blessing).
Aan de bijzondere lage school was nog een kleuterschool verbonden, staande aan de Prins Bernhardstraat, die op 1 april 1948 is geopend met een 70-tal leerlingen.
Een tweede bijzondere kleuterschool werd in 1970 geopend in het nieuwe bestemmingsplan "Dorp". Ook verrees een openbare kleuterschool (Ga Door) aan de Lijnzaadstraat.